Mansira – Toelichting
Mansira betekent Juweel (barnsteen?) in de eigen taal.
Van alle Solarische talen lijkt het Mansiraans het meest op Andromedo-Galactisch.
Mansira is één van de mooiste, vreedzaamste en gelukkigste fysieke werelden van onze Melkweg.
Zij wordt nog steeds bewoond door de oorspronkelijke bevolking, homo sapiens van een Mediterraan ras.
Mansira lijkt qua geografie op Šolám, maar nog het meest op onze Aarde. Met mediterrane landschappen.
De meeste gebouwen gepleisterd in warme pastelkleuren, vooral lichtgeel en zalmkleurig, met oranje dakpannen.
Oranje rotspartijen en bloemen. Nauwelijks steden. Alleen de schaarse openbare gebouwen staan gegroepeerd.
Zoals op veel van zulke planeten, staan er veel achtkantige torentjes met bolle koepels en toogpoorten.
De meeste huizen hebben geen glas in hun raam- of deuropeningen, vanwege het aangename klimaat.
In de aan een westelijke zeehaven gelegen hoofdstad Mànsirvad, die mij aan Marseille doet denken,
beheren de Aurorianen een groot ambassadecomplex, voorzien van hoogwaardige technologie en een dakterras,
waar hun ruimteschepen landen en opstijgen, en een grote conferentiezaal, die nog stamt uit de Andromedatijd.
Er is elektriciteit op zonne-energie. Mansiranen gebruiken geen elektriciteit of verbrandingsmotoren.
De Mansiraanse technologie is middeleeuws en kleinschalig ambachtelijk. Er is geen openbaar vervoer.
Het ambassadecomplex is in Mansiraanse stijl gebouwd, toen door de Mansiranen zelf voor de Andromedanen.
Het is immers ieders bedoeling, dat de Mansiranen vooral hun eigen, unieke cultuur blijven koesteren.
Mànsirvad bestaat uit woningen, maar vooral uit openbare gebouwen, uitgaansgelegenheden en marktjes.
De planetaire munteenheid is de kopi (leuk ezelsbruggetje trouwens!), die uitsluitend in metalen vorm bestaat.
Landelijke woningen, in gepleisterde steen en/of hout, losstaand en elk omgeven door een bijhorend landschapje,
bestaand uit akkertjes, boomgaarden, weiden voor kleine melk- en pluimdieren, ondiepe meertjes en beekjes,
waarin onder andere wordt gewassen en gespeeld. Zo’n woning met het bijbehorende erf voorziet in de meeste
levensbehoeften van het gezin. Zeer sobere technologie, expres veel minder ver ontwikkeld dan op Aarde.
Vuur, glas, hout en metalen zijn wel in gebruik. Rij- en trekdieren, karren en kleine roei- of zeilschepen.
De flora is behoorlijk gevarieerd, met diverse bladhoudende loofbomen en palmbomen.
Er zijn in ieder geval buffels, elanden, geiten, vogels, vlinders, grote blauwe bijen en veel vissoorten.
Honing wordt ook geëxporteerd naar Aurorion, in ruil voor logistieke ondersteuning als multimediadiensten.
Veel vrouwen dragen het haar in twee vlechten. De mannen in één dikke vlecht of kort.
Men draagt vrij eenvoudige zijden gewaden in warme pastelkleuren, met een zijden lint als ceintuur.
De armen zijn driekwart bloot, evenals de onderbenen. Loodkleurige hoge sandalen met dito dunne veters,
tot halverwege het onderbeen. Er wordt naakt gezwommen, vrijwel uitsluitend in gezinsverband.
De gezinnen zijn klein, dankzij geboortebeperking. Mansira heeft één regering, met meestal een koningin.
En één taal, het Mansiri. De bevolking is blank tot lichtbruin. De mensen zijn vrij lang, slank, beeldschoon en
gezond, mede door hun sobere levenswijze, maar velen sterven voor hun vijftigste jaar aan infectieziekten.
Ongevallen komen vrijwel niet voor, want de bevolking is zeer bedachtzaam. Er bestaat geen echte geneeskunde.
Mensen hebben veel kennis van kruiden. Ernstige zieken laten ze gewoon sterven, thuis bij hun gezin.
De overledene wordt naar buiten gedragen, met bed en al op het erf verbrand en daarna in de tuin verstrooid.
Een Mansiraan is van nature gelukkig en tevreden, geduldig en vreedzaam.
Misdaad, vandalisme en vervuiling komen op deze planeet niet voor.
Deuren van gebouwen en vervoersmiddelen hebben geen sloten. Nergens staan hekken. Geen politie of leger.
Er heersen gelijkwaardigheid en hartelijkheid, maar de mensen zijn wat terughoudend in het aanraken van elkaar.
Niet omdat ze bang zouden zijn van andermans lichaam, maar uit een heilig respect voor vooralsnog onbekenden.
Ook in gezinsverband zijn de aanrakingen nogal spaarzaam. Een droge kus op de mond is het intiemste,
wat gebruikelijk is tussen ouders en kinderen en tussen zusters en broers onderling.
Mensen hebben een achternaam, afgeleid van de plaats waar zij op dat moment wonen.
Reizen en verhuizen naar andere omgevingen is zeldzaam. Persoonsnamen worden vaak afgekort tot roepnaam.
Als kinderen hun ouders roepen, gebruiken zij die roepnaam. In directe nabijheid noemen ze hen vaak liefkozend:
‘Hàmi’ (Mammie) en ‘Bàbi’ (Pappie). Mansiranen brengen het grootste deel van hun tijd in gezinsverband door,
werkend en spelend. Er bestaan eigenlijk geen alleenstaanden. Kleinkinderen erven het huis van hun grootouders.
Waarschijnlijk heb ik een aantal levens op Mansira doorgebracht om aan die planeet te wennen.
In mijn laatste leven als man heette ik Qhalita (Scherpziende) Marvá-is, roepnaam Lita.
Ik had donkerblond haar, meestal vrij lang en in één dikke vlecht op mijn achterhoofd.
Het is als geheel waarschijnlijk tot nu toe mijn gelukkigste leven, ondanks dat mijn partnerziel daar ontbrak.
Ik had geen openbare positie van betekenis, maar ik functioneerde goed.
Vooral in relatie met mijn aardige, rustige vrouw Andalya (Dalya), onze oudste zoon Samira (Sàmi),
onze dochter Andruhnya (Druhnya) en jongste zoon Avandra (Vandra), allemaal met als achternaam Marvá-is.
Ik herinner mij hun gezichten, alle vier met donkerbruin, meestal halflang haar, Druhnya soms met vlechten.
Ons gehucht Marva, met enkele tientallen inwoners, is genoemd naar de daar voorkomende buffelsoort.
Een vlakke streek met boerderijen en veel bos. Voor bijvoorbeeld de basisschool waren wij aangewezen op het
verder en hoger gelegen dorpje Konan, genoemd naar de oranje bergkam als het gewei van een eland.
Ik maakte sandalen, volgens een zelfgevonden procédé geheel van plantaardige materialen.
Dalya naaide zijden gewaden. Eens in onze zesdaagse week verkochten we onze waren op een van de
dagelijkse markten van de enkele tientallen kilometers noordelijker gelegen hoofdstad Mànsirvad.
Onze planetaire munt heet kopi. De meeste tijd besteedden we echter aan de exploitatie van ons boerderijtje,
vrijwel geheel voor eigen gebruik. Maar mijn gezin was mijn alles. Dalya is later als Fúntyam naar Šolám
gereïncarneerd. Het eerste beeld van mijn kinderen kreeg ik, toen zij rond de zes jaar oud waren.
Mijn oudste zoon drong zich het meest aan mij op. Een rustige, blije jongen, beeldschoon, vrij stevig gebouwd,
met een vierkantig voorhoofd en een losse haarlok eroverheen. Met hem had ik een innige band.
Als hij mij zag, huilde hij van blijdschap: ‘Bàbi, Bàbi!’ ‘Sàmi, Sàmi!’
Op Mansira droegen we kinderen vaak op de arm, gezichten naar elkaar toe, op Šolám meestal op de schouders.
Later begon Samira steeds meer op mij te lijken en droeg hij het haar ook in één vlecht.
Zijn haar was donkerder dan het mijne.
Ik was een jaar of veertig, mijn kinderen in de twintig.
Ik kreeg een longontsteking. Ik lag op bed in ons huisje, met mijn vrouw en drie kinderen om mij heen.
Wij wisten, dat ik ging sterven, maar wij waren alle vijf zielsgelukkig. Mijn leven was
af.
Ik was een Meester van Verbondenheid en had zelf minstens één nieuwe groep gesticht
en naar het meesterschap begeleid. Wij zeiden alles, wat we elkaar nog wilden zeggen en kusten elkaar vaarwel.
Mijn laatste woorden waren: ‘Ik bemin jullie met een liefde, die niet van deze wereld is.’
Ik wist toen, dat mijn gezin zou doen, wat ik tijdens mijn leven niet had meegemaakt:
Alle vier sloten zij zich aan bij verbondenheidgroepen en verkregen de meestergraad.
Alle vijf reïncarneerden wij naar Šolám, maar ik denk, dat geen van ons herinneringen van betekenis
aan vorige levens had, behalve Fúntyam, die blijkbaar een trage leerlinge was.
Zij was al in de dertig, toen ze zich op Mansira bij zo’n verbondenheidgroep aansloot.
|